Woensdag vergadert de ministeriële commissie over Economie en Natuurherstel met vertegenwoordigers van boerenorganisaties en aanpalende sectoren. De inzet: een programma om de stikstofuitstoot te verminderen. Maar één groep ontbreekt volledig, terwijl zij het directe onderwerp van de discussie zijn: de dieren.
De overheid en de landbouwsector zoeken de oplossing vooral in technologische innovaties. Emissiearme vloeren golden jarenlang als de heilige graal om uitstoot te verminderen, maar onderzoek toont aan dat ze in de praktijk niet werken. Agrotechniekbedrijf Lely ontwikkelde een poeprobot die mest continu opzuigt om stikstofuitstoot te verminderen, maar aan de effectiviteit hiervan wordt sterk getwijfeld. Ook luchtwassers worden ingezet, terwijl bekend is dat deze de luchtkwaliteit in stallen juist verslechteren.
Deze technische, door de overheid gesubsidieerde, ingrepen zijn niet alleen ineffectief, maar raken de dieren direct. Op meerdere fronten. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde in 2022 dat emissiearme vloeren en luchtwassers het risico op stalbranden vergroten. Toch worden deze effecten op dierenwelzijn systematisch genegeerd in de besluitvorming over stikstofreductie.
Het idee dat stikstofreductie belangrijker is dan dierenwelzijn wordt niet gesteund door de maatschappij. In december 2022 riep de Tweede Kamer in een unaniem aangenomen motie de regering expliciet op om geen belastinggeld te besteden aan technische oplossingen die het welzijn van dieren verslechteren. Daarnaast bevestigde de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) in De Staat van het Dier 2024 dat een meerderheid van de Nederlanders dierenwelzijn steeds belangrijker vindt. Maar liefst 82% van de respondenten vindt dat dierenwelzijn niet ondergeschikt mag zijn aan stikstof- en klimaatmaatregelen. Toch lijkt de regering deze maatschappelijke opvatting te negeren door door te gaan met technologische oplossingen die ten koste gaan van de dieren.
De vraag die hieruit volgt is breder dan dierenwelzijn: hoe democratisch is een beleid dat degenen die het meest geraakt worden, volledig uitsluit van inspraak? De Franse filosoof Bruno Latour stelt in zijn boek Politics of Nature (2004) dat de klassieke opvatting van politiek te beperkt is: niet-menselijke entiteiten, waaronder dieren, hebben belangen die meegewogen moeten worden in besluitvorming. Volgens Latour probeert onze maatschappij al sinds de wetenschappelijke revolutie de samenwerking tussen mensen en niet-mensen weg te moffelen. Zo ook in dit dossier. De overheid ziet dieren als passieve objecten. Maar het zijn levende wezens met directe belangen bij stikstofbeleid.
Politicologen Sue Donaldson en Will Kymlicka gaan in Zoopolis (2011) nog een stap verder. Zij stellen dat dieren politieke subjecten zijn: sommige dieren, zoals landbouwdieren, functioneren binnen de menselijke samenleving en hebben vergelijkbare belangen als burgers. In hun visie zouden dieren niet simpelweg ‘objecten’ van beleid moeten zijn, maar vertegenwoordigd moeten worden in besluitvorming.
Dit raakt aan een fundamenteel democratisch principe: geen beslissingen over een groep zonder de betrokkenheid van die groep. (Not about us, without us) We erkennen dit principe bij jonge kinderen, patiënten, mensen met een verstandelijke beperking en anderen die zichzelf niet kunnen laten horen. De Kinderombudsman behartigt de belangen van kinderen, patiëntenverenigingen geven patiënten een stem in de spreekkamer en bij de zorgverzekeraar, mentoren en curatoren spreken namens mensen die hun eigen belangen niet kunnen verdedigen. Maar voor dieren ontbreekt elke vorm van vertegenwoordiging.
De stikstofcrisis laat zien dat politieke participatie geen neutraal begrip is: sommige groepen worden structureel buitengesloten. Boeren, veevoerproducenten en supermarkten hebben economische belangen en aanspraak op inspraak. Dieren – de feitelijke uitstoters – worden daarentegen louter als objecten beschouwd, terwijl ze de grootste fysieke gevolgen ondervinden van de maatregelen. Zij hebben geen stem in de onderhandelingen over wat haalbaar, realistisch of acceptabel is. Er is niemand die namens hen kan protesteren als hun welzijn verder achteruitgaat. Er is geen vertegenwoordiging die alternatieve oplossingen aandraagt die het leven van dieren wél verbeteren.
Als we erkennen dat dierenwelzijn een maatschappelijke waarde is – zoals onderzoek en politieke keuzes bevestigen – dan moet hun stem worden meegenomen in het stikstofbeleid. Zolang dieren geen enkele vorm van vertegenwoordiging hebben in beslissingen die hun leven bepalen, blijft de stikstofaanpak niet alleen technocratisch, maar ook fundamenteel ondemocratisch.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.