Internationale Vrouwendag heeft dit jaar vooral geleid tot veel discussie over wat feminisme inhoudt of zou moeten inhouden. Daarbij komt vooral de noodzaak tot intersectionaliteit naar voren; het idee dat onderdrukking niet enkel op één niveau kan worden begrepen, maar altijd samenhangt met andere vormen van onderdrukking. In de woorden van Flavia Dzodan: “my feminism will be intersectional or it will be bullshit”.
Daarbij valt op dat ook bij mensen die wijzen op het belang van intersectionaliteit, nog altijd een blinde vlek bestaat voor de onderdrukking van vrouwelijke dieren in de vee-industrie. Zij worden geboren, enkel om “te dienen” voor de mens. Dat is bij uitstek onderdrukking en exploitatie van vrouwen. Het betreft alleen vrouwen die toevallig geen mens zijn.
Het benoemen van de niet-menselijke vrouwen roept over het algemeen afkeer op, omdat daarmee zou worden afgedaan aan het lijden van mensen. Niets zou minder waar kunnen zijn, en toch is het ergens te begrijpen. Als je zelf mensen boven dieren plaatst en om die reden de onderdrukking van mensen erger vindt dan die van dieren, dan kom je vooral op voor de slachtoffers die je belangrijk genoeg vindt; het is niet zo dat je onderdrukking in zijn algemeenheid radicaal afwijst. En om die reden verwacht je dat iemand die opkomt voor dieren, datzelfde denkkader toepast en dus dieren boven mensen plaatst.
Bij intersectionaliteit wordt vrijwel altijd gewezen op het feit dat onderdrukkende regimes voortkomen uit kolonialisme. Daarbij is evenwel belangrijk te bedenken dat, in de woorden van collective liberation-activist Christopher “Soul” Eubanks, juist kolonialisme “has allowed our society to accept unjust systems that uphold them as routine and commonplace in our world”, terwijl kapitalisme, als product van kolonialisme, “uses profit as a way to exacerbate the oppression of nonhuman animals”.
Door de onderdrukking van vrouwelijke dieren uit te sluiten van feminisme, worden de poorten opengezet voor het type feminisme dat Sophie van Gool enkele maanden geleden liet zien in haar column “de waarde van moedermelk”; een column die op veel bijval mocht rekenen. Als we Van Gool geloven, dan omvat de gelijkwaardigheid van de vrouw op de werkvloer deze dagen het recht van in plaats van zelf melk te geven aan het eigen kind, de moedermelk van niet-menselijke dieren te gebruiken. Daarmee verwordt feminisme evenwel tot elke andere vorm van -isme die staat voor de onderdrukking van een ander. Zoals racisme uitgaat van termen als “eigen volk eerst”, omdat de racist meent dat hij of zij boven de andere mens staat, gaat het feminisme nu blijkbaar uit van “eigen soort eerst”. Omdat vrouwen menen dat hun moederschap boven dat van een niet-menselijke moeder staat. Gelijkwaardigheid van vrouwen wordt door een deel van de hedendaagse feministen blijkbaar bereikt door onderdrukking van niet-menselijke moeders. Wat het patriarchaat voor vrouwen is, is feminisme dan voor niet-menselijke moeders. En deze vorm van feminisme wordt mogelijk gemaakt door intersectionele feministen die niet-menselijke moeders uitsluiten.
Veelal wordt gemeend dat de vergelijking met de onderdrukking van dieren zou leiden tot dehumanisering van mensen. In haar boek “Racism as Zoological Witchcraft” maakt Ap Kho echter duidelijk dat het begrip “dierlijkheid” juist wordt gebruikt om zowel mens als dier te onderdrukken. Door te menen dat de vergelijking met dieren leidt tot dehumaniseren van mensen, wordt dan ook ruim baan gegeven aan het idee dat dieren minderwaardig zijn; en juist dat denken ligt ten grondslag aan elke vorm van onderdrukking. Intersectionaliteit vraagt nu juist alle vormen van onderdrukking te erkennen. Er is dan ook iets voor te zeggen dat als je intersectionele feminisme niet-menselijke vrouwen uitsluit, dat feminisme misschien ook wel gewoon bullshit is.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.