Stel je bent dakloos. Dat overkomt je sneller dan je denkt. Je zwerft langs de straten en legt tenslotte het moede hoofd ergens aan de openbare weg te ruste. Bijvoorbeeld op een ouderwets parkbankje dat niet speciaal is ontworpen om te voorkomen dat er iemand op gaat liggen. Je probeert te slapen ondanks de motregen. Of je hebt dan tenminste nog een klein tentje bij je dat je in het gras ergens opzet. Dan ben je mooi de klos. Dan loop je kans gewekt te worden door Bertus of Berta Boa, die een boete uitschrijft van honderdveertig euro. In Schiedam gebeurde dat het afgelopen jaar 32 keer, in Vlaardingen zelfs 112 keer.
Het is immers VERBODEN in de openbare ruimte te slapen. Net goed. Komen die zwervers mooi te pas.
Het is me nooit helemaal duidelijk geworden waarom boa’s – die zelf toch tot de lager betaalden in Nederland behoren en politiediensten verrichten voor een fooi – dat zulke boa’s niet de andere kant opkijken als ze ergens een dakloze zien pitten. Het heeft bijzonder weinig zin een boete op te leggen want zulke mensen hebben toch geen geld. Je maakt het ze alleen maar moeilijker weer overeind te krabbelen en bijvoorbeeld hun financiën te saneren.
Ook vraag ik mij af welke hersenkronkels het nu zijn die bestuurders, wethouders, gemeenteraadsleden, burgemeesters er toe brengen zo koud, zo gevoelloos, zo genadeloos om te gaan met mensen die het in hun leven niet zo hebben getroffen als zijzelf. Boetes opleggen is geen antwoord op de dakloosheid. In berichtgeving over zulke onderwerpen tref je vaak het woord “overlast” aan. Mensen zonder huis worden dan gereduceerd tot overlast maar alla, voor het ogenblik moeten we het maar niet hebben over de mentaliteit waaruit dit voortkomt. Je hebt toch niet meer dan anderhalve hersencel nodig om te begrijpen, dat een dergelijk boetebeleid de slachtoffers alleen maar verder de onmaatschappelijkheid indrijft. Het is geeneens symptoombestrijding wat zulke boa’s met hun bonnenboekje doen. Ze verergeren de situatie.
I have a dream. Dat de partner van zo’n wethouder-daklozenvervolger in het casino het totale vermogen van beiden er doorheen jaagt compleet met de overwaarde op het huis. Hoe zij dan op straat komen te staan. Hoe zij vervolgens bij de Dienst Onthaal van de gemeente te horen krijgen dat ze zelfredzaam zijn. Hoe zij om een of andere reden geweigerd worden bij de daklozenopvang. Hoe zij vervolgens uitgeput in slaap vallen op een bankje. En hoe zij door een boa worden beboet. Ja, dat droom ik. En ik laat Chatgpt met al zijn kunstmatige intelligentie het verhaal uitwerken.
De wethoudster heeft een zware nacht.
De wethoudster stond in haar werkkamer, het zonlicht viel door het raam op haar bureau, maar haar ogen waren gericht op de dossiers voor haar. Ze heeft een streng beleid doorgevoerd, vooral als het gaat om dakloosheid. Het is simpel: wie op straat slaapt, krijgt een boete. Honderdveertig euro. Geen excuses, geen genade.
“Een strikte aanpak,” had ze gezegd in een toespraak. “Daklozen moeten verantwoordelijkheid nemen voor hun situatie. We kunnen hen niet blijven ondersteunen zonder dat ze zelf hun leven in eigen hand nemen.”
Haar man, die altijd zijn uiterste best deed alles goed te doen, had haar vaak aangespoord empathischer te zijn en niet zo rigide. Maar zij wist het beter. Zij moest immers verantwoording afleggen aan de gemeenschap en de belastingbetalers..
Toen brak de nacht aan waarin alles veranderde.
De wethoudster en haar man waren net thuis gekomen van een diner, waar ze had gesproken over de toekomst van de stad. Alles leek goed, alles leek veilig, totdat haar man met doffe blik haar vertelde dat hij vaak naar het casino was gegaan als zij avondvergaderingen moest bijwonen. Dat hij er had gespeeld. Niet zomaar gespeeld. Hij had alles verloren.
“Wat zeg je?” vroeg ze, haar stem begon te trillen.
“Het is mijn fout,” zei hij, zijn handen in de lucht. “Ik... ik dacht dat ik het zou kunnen terugwinnen. Maar het ging mis. Ik heb leningen afgesloten om het terug te winnen.”
De wethoudster voelde de grond onder haar voeten wegzakken.
In de weken daarna werden al hun bezittingen, ook het huis verkocht. De wethoudster stond daar, zonder werk, zonder geld, zonder huis. Alles wat ze had opgebouwd, was weg. Van hun leven bleef niets over. Zij en haar man waren nu zelf dakloos.
Ze meldden zich bij de Dienst Onthaal van de gemeente. Het voelde vernederend, maar ze hoopten op enige hulp. De ambtenaren keken hen aan en gaven hen te verstaan dat ze ‘zelfredzaam’ waren. Ze stonden op eigen benen. De wethoudster voelde zich kleiner dan ooit.
Ze verlieten het gebouw, hun hoofden gebogen, en gingen naar buiten. In het park vonden ze een bankje. De wethoudster plofte neer, uitgeput. Haar man ging naast haar zitten, zijn blik gericht op het oneindige. Wat nu? Wat moesten ze doen?
Ze vielen tenslotte in een onrustige slaap.
Al gauw werden ze wakker gemaakt door een boa. “Hé! Wat doen jullie hier? Dit is verboden! Honderdveertig euro boete voor slapen op straat,” zei de Boa, terwijl hij zijn bonnenboekje boven hun hoofden hield.
“Maar... we... we hebben niets meer,” zei de wethoudster, verwilderd. “We hebben alles verloren.”
“Dat is jullie probleem, niet het mijne,” antwoordde de Boa kortaf. “Honderdveertig euro. Betalen, of ik bel de politie.”
De wethoudster voelde een wervelwind van emoties: schaamte, frustratie, woede. Was dit waar haar beleid toe had geleid? Had ze de armen van haar stad zo hard afgestraft? Ze wilde iets zeggen maar het lukte niet. Haar stem stokte in haar keel.
Plotseling werd alles zwart voor haar ogen. Toen werd ze wakker, badend in het zweet. Ze keek om zich heen en herkende de slaapkamer. Haar man lag naast haar, rustig ademend, zijn gezicht vredig. Ze was thuis. Het was maar een droom geweest, een nachtmerrie.
Maar het voelde zo echt.
Haar man draaide zich om en keek haar met een slaperige glimlach aan. “Wat is er, liefje?”
“Niets..,” zei ze zacht, maar haar stem trilde. “Het was een nachtmerrie.”
“Een nachtmerrie?” vroeg hij. “
Ze zuchtte. “Ik was dakloos... Jij en ik... we hadden alles verloren. En toen kregen we een boete van de Boa’s. Honderdveertig euro... gewoon voor slapen. Het voelde zo... echt.”
“Hé, het is maar een droom,” zei hij zacht. “Dit zal ons nooit overkomen.
“Misschien heb ik het verkeerd aangepakt” zei ze uiteindelijk. “Misschien... misschien moet ik meer empathie tonen, zelfs als ik streng moet zijn. Want wat als ik zelf ooit in die situatie beland?”
Ze sloot haar ogen en voelde zich kalmer worden. De droom was voorbij, maar de les die ze had geleerd, daar moest ze over nadenken. Misschien was het tijd voor een andere koers. Misschien moest ze niet alleen regels stellen, maar ook ruimte maken voor de mensen die ze eens had veroordeeld.
Voor daklozen blijft alles hetzelfde.
“En zoals zijn lichaam gewend raakt aan de wisselvalligheid van bet jaargetijde, van weer en wind, zoo gewent zijn karakter aan krenking en belediging van allerlei aard”
Daklozen zijn nog net zo rechteloos als in de negentiende eeuw. Dat blijkt uit een artikel dat op woensdag 11 mei 1898 verscheen in de Vrije Socialist. Hoofdredacteur en eigenaar was Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Waarschijnlijk heeft hij het geschreven maar ik durf mijn hand daar niet voor in het vuur te steken. Ik moderniseerde de spelling maar liet voor het overige de tekst ongewijzigd. Goed dan: de Vrije Socialist over het recht der vagebonden.
“Al is de winter voorbij en vervult de lente de mensen weer met nieuwe hoop, zij heeft ook weer haar eigenaardigheden. Hoe vullen de wegen zich dan weer met landlopers, werklozen die werk zoeken, kooplieden van allerlei slag Waar waren zij? Vanwaar komen zij? Men zegt dat in April en Mei tal van personen ontslagen werden uit de gevangenis, personen die tegen oktober Of november het een of ander misdrijf begaan, waardoor zij den winter onder dak zijn. Zee maanden gevangenis, dat is duur gekocht voor zes maanden armoede in vrijheid. Toch geschiedt dit dikwijls. Wie worden landlopers, vagebonden? In de regel zijn dat personen, die in de sociale strijd zijn ondergegaan, die totaal ontmoedigd, nergens meer terecht kunnen komen. Zij gaan de grote wegen op en zij weten feitelijk niet met welk doel. De meesten gaan daarheen waar het lot hen toevalligerwijze voert. De rnarechaussees en veldwachters beschouwen hen als hun prooi, waarmede zij doen mogen wat zij willen. Men kan hun de openbaren weg niet ontzeggen, maar wee wanneer zij het wagen verboden terrein te betreden. En als de boeren hun geen hulp geven, als de knechts der buitenplaatsen - zelve proletariërs in livrei! - hen afsnauwen, zoals dikwijls geschiedt, ja, wat blijft er dan voor den bedelaar over? Hij heeft recht op niets! Niet eens het recht van den vogel die boven zijn hoofd vliegt, van het wild dat langs veld en door bos gaat, van de vis dien hij ziet in het water, want deze alleen kennen geen privaateigendom, zij nemen wat zij krijgen kunnen om in hun behoeften te voorzien. Omdat hij mens is en omdat een ander mens zich de grond heeft toegeëigend waarop het graan, de aardappelen, de vruchten groeien waarmede hij zich moet voeden, daarom laat gij hem omkomen van honger of sluit gij hem op in de gevangenis. Laat hij werken! Waar? Hoe? Wijs hem de plaats waar hij werken kan, maar scheep hem niet af met een frase, daar gij zeer goed weet dat hij overal het hoofd stoot. Waarom moet hij zich onderwerpen aan uw sociale wetten en bepalingen, die hem beroven? Wie heeft u bekleed met gezag om hem te noodzaken zich te schikken naar uw bevelen? Gij vreest dat hij zich vergrijpen zal aan u. Maar gij vergeet hoe gij zich vergrijpt aan hem. Hij heeft een recht dat gaat boven alle wetten en dat geen enkel gezag hem kan of mag ontnemen. Hij is op de wereld en daardoor heeft hij recht op lucht, licht, schuilplaats, voedsel.
Laat hij werken! Zo zegt gij. Maar hij heeft getracht om te werken en het baatte hem niets. Is er geen plaats voor hem aan den maaltijd des levens, dan is dit zijn schuld. Hoe weet gij dit? Moet dit dan altijd zijn schuld zijn? Kan het niet die van anderen wezen? Iemand treedt toch niet voor zijn plezier buiten het kader der maatschappij! Hij moet daar langzaam toe gebracht zijn, door steeds lager en lager te dalen op de maatschappelijke ladder. Is hij zonder werk, dan hoopt hij toch altijd er weer bovenop te komen. Hij gaat aan 't zwerven, stelt zich bloot aan regen en zon, o dat stond hem tegen in den beginne, maar wat bleef er anders voor hem over? En zoals zijn lichaam gewend raakt aan de wisselvalligheid van bet jaargetijde, van weer en wind, zoo gewent zijn karakter aan krenking en belediging van allerlei aard.... Hij betreurt de werkplaats niet meer. Ontbering, vermoeienis ze wegen op tegen de vrije lucht en het vrije leven, die hij nu althans heeft. De vagebonden zijn ongebruikte sociale krachten. Hun aantal stijgt in verhouding van de desorganisatie onzer oude maatschappij. Men kan ze verjagen, gevangen zetten maar is daarmede het kwaad verholpen? Hier staan onze geleerden stil, onmachtig als ze zijn om deze kwestie op te lossen”.
Voor het overige ben ik van mening dat het toeslagenschandaal niet uit de publieke aandacht mag verdwijnen en de affaire rond het Groninger aardgas evenmin zeker nu de laatste putten toch open blijven. Tevens noem ik de PVV een extreemrechtse partij.
Beluister Het Geheugenpaleis, de wekelijkse podcast van Han van der Horst en John Knieriem over politiek en geschiedenis. Nu: Europa omsingeld.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.